dinsdag 27 juni 2017

Buitenruimte kinderopvang in het Pedagogisch Beleidsplan

Buitenruimte kinderopvang in het Pedagogisch Beleidsplan

Er was weer een brief van de Minister aan de Kamer, die ging over de invulling van het IKK. De AmvB waarin e.e.a. wordt uitgewerkt is uitgesteld, helaas, maar er wordt toch al langzaam wat meer bekend.

Ook over de buitenruimte. In de Wet staat nu:


Artikel 10. Buitenspeelterrein


  • 1Voor dagopvang beschikt een kindercentrum over aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte ten minste 3 m2speelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind bedraagt.
  • 2Voor buitenschoolse opvang beschikt een kindercentrum over voor kinderen veilige en toegankelijke, vaste en op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum, waarvan de oppervlakte ten minste 3 m2 speelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind bedraagt. In het geval een buitenspeelruimte niet aangrenzend is, is deze gelegen in de directe nabijheid van een kindercentrum en voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar.






    Uit de brief van de Minister aan de kamer:

    Kinderen moeten altijd voldoende gelegenheid en tijd hebben om buiten te kunnen spelen. Daarom gaat als uitgangspunt voor het peuterspeelzaalwerk, de dagopvang en de buitenschoolse opvang gelden dat de buitenspeelruimte gedurende de gehele opvang beschikbaar en exclusief toegankelijk is voor de in het kindercentrum aanwezige kinderen. Om samenwerking met andere instanties mogelijk te maken, kan een houder afspraken maken over gedeeld gebruik van een buitenspeelruimte. Deze afspraken kunnen worden gemaakt over de tijden waarop de buitenspeelruimte beschikbaar is en over het gelijktijdig gebruik van de buitenspeelruimte door andere instanties om mogelijk te maken dat ook andere kinderen gedurende de opvangtijd kunnen spelen op bijvoorbeeld het schoolplein of de buitenruimte van een sportvereniging. Hierbij geldt dat mijn voorkeur uitgaat naar samenwerking met instanties die gericht zijn op de ontwikkeling van kinderen. Ook in het geval van samenwerking met andere initiatieven die gericht zijn op een andere/bredere doelgroep, zoals samenwerking tussen een buitenschoolse opvang en een buurtcentrum, wil ik de ruimte bieden om de buitenspeelruimte te delen. Indien gedeeld gebruik van de buitenspeelruimte wordt afgesproken, blijft gelden dat elk kind over ten minste 3m2 buitenspeelruimte moeten beschikken. Om te borgen dat de belangen van het kind ook bij gedeeld gebruik van de buitenspeelruimte altijd centraal staan, gaat als voorwaarde voor het delen van de buitenspeelruimte gelden dat de gemaakte afspraken over het delen van de buitenspeelruimte worden vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan. Hierbij dient de houder in het bijzonder aandacht te besteden aan de wijze waarop bij gedeeld gebruik van de buitenspeelruimte wordt geborgd dat sprake is van verantwoorde kinderopvang dan wel verantwoord peuterspeelzaalwerk. Op deze manier wordt geborgd dat ook in het geval van een gedeelde buitenspeelruimte, kinderen voldoende gelegenheid en tijd krijgen om buiten te spelen en daarmee hun gezondheid en brede ontwikkeling wordt gestimuleerd.

    Oh, en aan het einde van de bespreking in de Kamercommissie heeft de Minister toegezegd dat hij nog deze week gaat praten over de definitieve definitie, en daar de kamer over zal informeren. Wordt vervolgd dus!

    Debat zelf bekijken? Dat kan via deze download: https://debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/kinderopvang-7#

    vrijdag 23 juni 2017

    De GGD heeft altijd gelijk... (althans, op voorhand)

    Als de inspecter iets vindt ten aanzien van gezondheid en veiligheid, dan kun je daar maar beter naar luisteren. Dat ondervond althans de houdster van een kinderdagverblijf in Amsterdam, die haar jarenlange werkwijze afgekeurd zag door een inspecteur.

    Wat was er aan de hand? Er was een babygroep zonder waterpunt (een wastafel met een kraan dus), en dat werd afgekeurd. In het kindcentrum werd al jaren gewerkt met losse wartercontainers, volgens de volgende regels:

    "-     Tijdens elk verschoon en eetmoment wordt er schoon water uit de keuken gehaald (twee gescheiden reservoirs).    
    -     De reservoirs worden alvorens opnieuw gevuld te worden eerst grondig gereinigd (omgespoeld met heet water).
    Een reservoir is uitsluitend gevuld met warm water t.b.v. het reinigen van het kind na een eetmoment. Indien meerdere kinderen gelijktijdig worden gewassen dan worden eerst alle washandjes gelijktijdig natgemaakt.
    -     Een tweede reservoir is gevuld met een "Allesreiniger" om de tafel, banken en stoelen schoon te maken.
    -     Er is te allen tijde schoon water aanwezig op de groep. Er zijn geen momenten waarop dit niet het geval is.
    -     Na het verschonen van een luier reinigt de leidster haar handen met een desinfecterende handgel.
    -     Leidsters wassen regelmatig hun handen."
    De houder vond dit een goede manier van werken, de GGD-inspecteur niet, ook al was het daarvoor telkens goedgekeurd. 

    De Afdeling overwoog in hoger beroep als volgt: 
    "De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu de GGD deskundig is op het terrein van gezondheidsrisico’s en besmettingsgevaar, in beginsel mag worden afgegaan op de constatering van de inspecteur van de GGD dat het ontbreken van een waterpunt een gezondheids- en veiligheidsrisico vormt en dat het aanleggen van een waterpunt in de ruimte van de babygroep de enige adequate oplossing is voor een goede hygiëne. [appellante] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat het voor haar niet duidelijk was dat de door haar in de babygroep gehanteerde werkwijze, zoals opgenomen in de huisregels, niet voldoende doeltreffend was om besmettingsvaar zoveel mogelijk te beperken, volgt de Afdeling niet. Blijkens de inspectierapporten heeft de GGD in ieder geval vanaf het jaar 2010 jaarlijks geconstateerd dat de methode van [appellante] niet voldoende hygiënisch is. Nu dit niet in de andere groepen, waar wel stromend water aanwezig was, is geconstateerd, had [appellante] kunnen en moeten begrijpen dat hierin de oplossing lag."

    Boete gehandhaafd...

    Op dit onderdeel dan, er restte nog een kleine overwinning, maar daar schoot de houder uiteindelijk niet heel erg veel mee op. Benieuwd? Hier staat het hele arrest: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:1587

    woensdag 26 april 2017

    Is een gastouder een ondernemer? 

    Dit is wat de rechter er van vond.

    In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant wordt door de gastouder gesteld dat ze wel degelijk  een ondernemer is, en dus recht heeft op zelfstandigenaftrek, starterskorting en andere ondernemersfaciliteiten. 

    De inspecteur heeft, zo valt op te maken uit het stuk, bedacht dat werken voor een gastouderbureau betekent dat je niet zelfstandig bent. Maar de Rechtbank volgt dat niet. Die vindt dat mevrouw aan alle voorwaarden voor het ondernemerschap voldoet, en dat het samenwerken met een gastouderbureau geen vrije keuze is. Het is immers bij wet voorgeschreven dat via een gastouderbureau moet worden gewerkt, en welke taken dat bureau dan uitvoert.

    Nu de onderneemster, want dat is ze, zelf voor klanten heeft gezorgd, ook voor andere gastouderbureaus zou kunnen werken, bij ziekte niet doorbetaald krijgt, zelf aansprakelijk is voor de kinderen, niet betaald krijgt als de klant niet betaalt, vindt de Rechtbank dat ze ondernemersrisico loopt, en dus recht heeft op de faciliteiten die daar bij horen.

    Interessant is nog dat de rechtbank niet meer toekomt aan het beoordelen van : "Tot slot stelt belanghebbende dat de inspecteur bij het doen van uitspraken op bezwaar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel en het handelen zonder vooringenomenheid, heeft geschonden."

    Gastouders zijn dus, als ze voldoen aan de door de rechtbank geschetste criteria, ondernemers, en dat scheelt een hoop belasting.

    donderdag 6 april 2017

    De rechter en de inhoud van het inspectierapport

    Je kunt niet in beroep tegen het rapport, maar er gelden wel zorgvuldigheidseisen


    Kinderdagverblijf Pluto uit Oirschot heeft gedaan wat maar weinigen doen in de kinderopvangbranche: doorprocederen tot aan de Raad van State omdat je vindt dat je gelijk hebt. En vervolgens nogbijzonderder: gelijk krijgen. En dat is wat mij betreft een feestje waard,niet alleen voor Pluto, maar voor iedereen in de branche.

    Ik heb ze dus gefeliciteerd, en even gevraagd wat ze er nu eigenlijk van vond. Nou, de rechtszaak was best gemakkelijk geweest, de rechters vroegen vooral veel aan de GGD en aan de gemeente, die moesten vertellen hoe ze precies te werk waren gegaan.

    Die hadden in het inspectierapport opgenomen: 
    "De houder heeft het vierogenprincipe (nog) niet geïmplementeerd. 

    Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: 
    De houder organiseert de opvang op zodanige wijze, dat de beroepskracht of de beroepskracht in opleiding de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. (art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 2 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 3 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 5a Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen)"

    En daar vonden de rechters wel iets van: "Het had op de weg van de toezichthouder gelegen om tijdens de inspectie hierover door te vragen en de conclusie in het onderzoeksrapport nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, had het college het inspectierapport niet zonder meer aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. "

    En dat vonden ze op basis van:
    "Ingevolge artikel 1.64, eerste lid, van de Wkkp gelezen in samenhang met artikel 7, tweede lid, onder h, van de Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013 bevat een inspectierapport een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten."

    En dat laatste is winst voor iedereen die met inspectierapporten te maken heeft. Want in de praktijk staan er nog wel eens conclusies in de rapporten die niet direct door de observaties en de bespreking daarvan gedragen zijn. Door nu in dit arrest op te nemen dat er in elk geval een logische redenering tussen de gedraging en het ten laste gelegde feit moet zijn zorgt de Raad voor wat meer duidelijkheid. Overigens mag, als het rapport niet duidelijk is, het college dat natuurlijk nog wél in zijn besluit verduidelijken. Dan moet in dat besluit duidelijk worden waarom de gedraging beschouwd wordt als een overtreding van de voorschriften. 

    vrijdag 31 maart 2017

    Rekentool BKR ratio 2018

    Even knutselen en dan: Rekentool!

    De BKR-ratio voor 2018 in een tabel en een formule


    Ja, het lijkt allemaal superingewikkeld, en dat is het ook. Maar met wat rekenen en regelen kom je er wel uit, al blijft het een heel gepuzzel wat nu wel en wat nu niet mag. En met horizontale groepen zit je minder goed dan met verticale. Maar ook als je verticale groepen hebt betekent uitstroom niet meer zonder meer ook instroom. Je moet voldoen aan de rekenregel.

    En die zorgt ervoor dat jongere kinderen zwaarder tellen, want ze belasten de beroepskracht meer. Best logisch eigenlijk, maar wel iets om rekening mee te gaan houden in de planning. Er is een tool voor, want die heb ik in elkkaar gezet op basis van de ontwerp-AMVB. Die waarschijnlijk per 1 januari 2018 ingaat. 


    Dat is de link, en dit is het plaatje:


    Veel succes!

    donderdag 30 maart 2017

    Bijeenkomst IKK in 't Spant te Bussum, 30 maart 2017

    Het IKK werd belicht in de bijeenkomst van de branche-organisatie; maar waar is dat Nieuwe Toezicht nou gebleven?



    Er was veel publiek, bij de dag over Innovatie en Kwaliteitsverbetering in de Kinderopvang. Het bestuur vertelde hoe het was gegaan, en er was een hoop discussie, met name over de 3 baby's per leidster bij de 0-jarigen en over de kosten.

    De kosten. Want dat heb je nu eenmaal met kwaliteit, het kost geld. Want je moet meer doen, en beter, wat meer tijd kost, en meer mensen. Dat kán ook wel, maar dan moet het ook nog snel. Een transitie per 1 januari 2018, dat lukt waarschijnlijk niet meer. Rustig maar, er wordt gewerkt aan invoeringsmaatregelen die de pijn moeten verzachten. En aan nog veel meer, want het is allemaal nog lang niet af.

    Dit zijn de mensen die het moeten gaan doen. De drie links zin van het Ministerie van SZW, en waren zo aardig om te komen naar een zaal vol bezorgde kinderopvangondernemers. Ze deden netjes wat van hen verwacht mag worden, als ambtenaren kunnen ze enkel de lijn uitleggen, maar hoeven ze de gemaakte keuzes niet te verantwoorden; dat is aan de minister en de kamerleden.

    De inhoud dan maar: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2017/03/10/ontwerpbesluit-kwaliteit-kinderopvang-en-peuterspeelzaalwerk

    Daar kun je de hele wet vinden.

    Een paar verborgen highlights:

    Ten derde worden met de nog uit te werken ministeriële regeling regels gesteld aan de kwalificatie voor het verlenen van EHBO aan kinderen. In het onderhavige besluit wordt geregeld dat er gedurende de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk een volwassene met een geldig en erkend kinder-EHBO certificaat aanwezig dient te zijn. Dit wordt noodzakelijk geacht om in het geval van incidenten adequaat te kunnen handelen. 

    Hoeveel kinderen zijn de afgelopen jaren de dupe geweest van een niet adequaat handelen van de kinderopvangorganisatie?

    In onderhavig besluit wordt de regeling voor de afwijkende inzet van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten anders vormgegeven. Er worden in het besluit geen tijdsvakken opgenomen waarbinnen afwijken van de beroepskracht-kindratio wel of niet is toegestaan. In plaats daarvan moet de houder in zijn pedagogisch beleidsplan opnemen op welke tijden afgeweken kan worden van de beroepskracht-kindratio en op welke tijden in ieder geval niet wordt afgeweken en derhalve wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio. De houder dient de ouders nadrukkelijk te informeren over deze tijden. Een beschrijving van genoemde tijden is van belang, aangezien het voor ouders inzichtelijk moet zijn op welke tijden wordt voldaan aan het minimaal aantal vereiste beroepskrachten en op welke tijden het mogelijk is dat er minder beroepskrachten worden ingezet. Deze beschrijving dient de exacte tijden waarop kan worden afgeweken en waarop in ieder geval wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio te bevatten. Een beschrijving van tijdsvakken waarbinnen mogelijk afwijking kan plaatsvinden, volstaat niet. Door bovenstaande aanpassingen ontstaat meer ruimte voor maatwerk voor houders. Zij kunnen hierdoor zelf bepalen op welke tijdstippen verantwoord kan worden afgeweken van de beroepskracht-kindratio op basis van het dagritme op het betreffende kindercentrum of de betreffende peuterspeelzaal.  

    Ik snap de tekst niet, moet ik nu exact aangeven wanneer kan worden afgeweken?

     De lijst met verplichte risico’s die in de risico-inventarisatie aan bod moeten komen, wordt vervangen door een verplichting om in het veiligheids- en gezondheidsbeleid in te gaan op de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid of de gezondheid van kinderen. Met deze aanpassing ontstaat meer ruimte voor de houder om zich in het beleid te focussen op de grote risico’s.

    Wanneer is iets nou precies een "groot" risico?

     Per 1 januari 2015 is voor horizontale groepen met tweejarigen16 een ratio van 1 beroepskracht op 8 kinderen gaan gelden. Dit vormde een versoepeling ten opzichte van de voorheen geldende ratio van 1 beroepskracht op 6 kinderen. In de brief van 17 juni 2014 is aangegeven dat de financiële ruimte die hiermee gecreëerd werd, zal worden meegenomen in de inzet op een kwaliteitsverhoging.  

    Je had het kunnen weten! Die 44 miljoen waarmee de branche overeind gebleven is wordt nu nog een keer uitgegeven...

    Bij het op grond van het onderhavige besluit in het kader van het veiligheids- en gezondheidsbeleid verplicht op te stellen plan van aanpak zal de houder tevens de in artikelen 1.51b en 2.9b van de Wko verankerde meld- en overlegplicht in acht moeten nemen. Indien sprake is van dusdanig grensoverschrijdend gedrag dat dit te kwalificeren is als mishandeling of als zedenmisdrijf dan dient de houder overeenkomstig artikel 1.51b respectievelijk artikel 2.9b van de Wko te handelen.

    Ok, opnemen in dat plan van aanpak dus!

    De beoogde inwerkingtreding van de verplichte inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers is 1 januari 2019. Hierdoor hebben houders voldoende tijd om pedagogisch beleidsmedewerkers aan te nemen en/of pedagogische medewerkers te laten bijscholen voor de functie van pedagogisch beleidsmedewerker.  

    Dat scheelt, 2019.

    Er worden handvatten geboden voor de opvangpraktijk die tegelijkertijd voldoende ruimte bieden voor een eigen invulling van de pedagogische doelen door de houder en beroepskrachten in samenspraak met de ouders. De concretisering van de pedagogische doelstellingen is tevens van belang voor het gesprek over de praktijkobservatie tussen de houder en de toezichthouder. Het huidige observatie-instrument dat de toezichthouder gebruikt bevat reeds een uitwerking van de pedagogische doelen van Marianne Riksen-Walraven. De afstand tussen de concrete observatiecriteria in het instrument en de pedagogische doelen van Marianne RiksenWalraven, die tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang alleen in de memorie van toelichting bij de oorspronkelijke Wet kinderopvang22 en in beknopte vorm in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012 voorkwamen, is echter groot. Door de pedagogische doelen in het onderhavige artikel te concretiseren kunnen de toezichthouder en de houder de praktijkobservatie daaraan relateren en kan het gesprek hierover en de verankering van het uiteindelijke oordeel in het inspectierapport makkelijker verlopen

    Ik ben benieuwd wanneer ik de eerste handhaving op basis van deze criteria voorbij zie komen...

    Hiertoe is het van belang dat de houder de ontwikkeling van kinderen op verschillende ontwikkelterreinen  volgt. Met de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind kan vervolgens worden bepaald of extra aandacht voor een of meerdere ontwikkelgebieden wenselijk is, hetgeen in het belang is van een soepele overgang naar het primair onderwijs en de buitenschoolse opvang.

    Meer administratie; nu ook per kind

    Op dit punt wordt nog opgemerkt dat de houder naast het onderhavige artikel eveneens dient te voldoen aan verschillende andere wet- en regelgeving op het terrein van de veiligheid en gezondheid. Op dit punt worden enkele voorbeelden genoemd. Zo bevat het Bouwbesluit 2012 (en het toekomstige Besluit bouwwerken leefomgeving) voorschriften onder andere voor brandveiligheid, binnenmilieu en daglicht. Op grond van (artikel 2, eerste lid, van) het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen is het verboden te handelen in strijd met de HACCP-beginselen. Het Warenwetbesluit Kinderbedden en – boxen en de daarop gebaseerde Warenwetregeling nadere eisen kinderbedden en -boxen kinderopvang stelt eisen aan kinderbedden en boxen die voor de kinderopvang worden gebezigd. Ook zijn er diverse richtlijnen op genoemde terreinen, bijvoorbeeld de Hygiënerichtlijn voor kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.

    Ja ja, die kenden wel al natuurlijk.

    Het negende lid bepaalt tot slot dat pedagogische beleidsmedewerkers meegeteld kunnen worden bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van het onderhavige artikel 16 voor zover zij in het kader van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden tevens op de basisgroep bezig zijn met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. 

    Dat scheelt!

    Een leerzame dag, dat was het.

    vrijdag 17 maart 2017

    Ventilatieeisen en PPM CO2

    Ventilatieeisen en PPM CO2




    Luchtverversing is een thema, want per 1 april 2017 worden de eisen uit het bouwbesluit 2012 van kracht voor de kinderopvang. 

    Zie voor het bouwbesluit een ander blog hier.

    1000 ppm is de norm, lees je op sommige sites, zoals hier en hier en hier. En dus moet je snel aan de slag! Koop advies, koop een CO2 meter, verbouwen!

    In de praktijk is het best moeilijk om aan de norm te voldoen; ik wil in deze blog uitleggen waarom.

    Waar komt CO2 vandaan?

    het zit in de lucht, we ademen het uit. In alle lucht, ook buiten, zit sowieso al 400ppm aan CO2. Dat is maar goed ook, want planten hebben het nodig om te groeien.

    Wij ademen en produceren CO2. Niet alleen als je een keer een wind laat, maar elke keer als je uitademt. Kijk maar op Wikipedia, het is bij elkaar gemiddeld 290 kilo per jaar per persoon. Die CO2 komt in de uimte waar je bent terecht, en als je niet ventileert dan wordt het steeds meer.

    Is CO2 giftig?

    Nou eh, álles is giftig als je er te veel van neemt, zelfs zuurstof. Maar in dit geval is het wat het RIVM betreft pas slecht voor je als je er in je arbeidsomgeving te veel aan blootgesteld wordt op een continu niveau van 5000 ppm. Dat staat in de stoffendatabase van het RIVM. (9000 mg/m3 = 5000 ppm). En zelfs die norm heeft de overheid losgelaten. Bedrijven mogen nu zélf aangeven hoe ze de gezondheid van hun werknemers waarborgen, en kunnen dus ook bijvoorbeeld piekwaarden bóven deze 5000 ppm toestaan. 

    Het rampeninterventiniveau is nog véél hoger. Maar er kan wél een ramp mee gebeuren, kijk maar naar Lake Nyos in Kameroen in 1986.

    Waar komt die 1000 ppm norm toch vandaan?

    In de Richtlijn GGD en RIVM voor het binnenmilieu staat 1000 ppm als de grens voor een gezond binnenklimaat. Terwijl ik dit zit te typen belt Rob van Strien van de GGD Amsterdam mij op. Hij heeft meegeholpen aan de inhoud van het document. Ik vraag hem ernaar, en we hebben het ook over het advies van de gezondheidsraad, over Lake Nyos en of CO2 nou giftig is of niet.  Hij vertelt dat het wat hem betreft niet om de CO2 gaat, maar om de ziektekiemen en uit bouwmaterialen vrijkomende stoffen gaat. Als je beter ventileert heb je dat minder om je heen, en dat is beter voor je gezondheid. Ik vraag hem naar de 1000 ppm en de normen in de richtlijn. 

    Hij geeft aan dat het wat hem betreft streefwaarden zijn. Je moet zo laag mogelijk zitten, dat is het punt. 1200 ppm is sowieso altijd haalbaar als je gebouw aan de eisen van het bouwbesluit voldoet, daar zijn die normen op gebaseerd. Hij zou het liefst zien dat kinderdagverblijven zich er op laten voorstaan meer te doen dan de wet van ze eist. (Dat zijn we dan mooi eens) Maar als je voldoet aan alle gekleurde blokjes uit de richtlijn dan ben je "extreem goed bezig". Zo zijn de blokjes volgens hem bedoeld, en niet als minimum norm, terwijl je dat wel zo zou kunnen lezen. Overigens zou je met goed ventileren best de 800 ppm kunnen halen, wat heel goed is voor iedereen. 

    Het RIVM onderschrijft het feit dat de richtlijn niet gebaseerd is op wettelijke voorschriften, maar op "een inzicht in de beste zorg voor het binnenmilieu vna dit moment", en geeft aan dat je als houder best iets anders mag doen, maar dat je dan bij gezondheidsproblemen wel moet kunnen uitleggen waarom je niet ventileerde terwijl je wist dat het beter was voor de gezondheid.

    Met GGD Haaglanden besprak ik de keuze tussen ventileren en warmte. Als je in de winter een extra raam openzet wordt het wel fris, maar ook heel koud, soms kies je er dan voor om niet te ventileren. In principe moet je tóch ventileren, zeiden ze, want je moet zorg dragen voor een gezond binnenklimaat. Maar zij (Haaglanden, want elke GGD is anders) zullen niet direct met een CO2 meter in de hand binnenstormen om je hard aan te pakken.